PO Raad VO Raad

Van Po naar Vo

Het schooladvies is leidend voor toelating tot het voortgezet onderwijs. Dit staat sinds 1 augustus 2014 in de Wet op het voortgezet onderwijs (WVO, artikel 27, lid 1c) en het Inrichtingsbesluit WVO (artikel 3). De eindtoets fungeert als een tweede onafhankelijk gegeven, en vervult daarmee de rol van second opinion. Veelal ziet de basisschool het schooladvies bevestigd in de uitslag van de eindtoets. Wanneer de uitslag van de eindtoets afwijkt, is dit voor de basisschool reden om nog eens goed naar het schooladvies te kijken. Wanneer de eindtoets beter is gemaakt, moet de basisschool het schooladvies heroverwegen.

Ja, in formele zin is dit juist. Om te voorkomen dat er matig onderbouwde schooladviezen worden gegeven, moeten scholen op tijd afspraken maken over de wijze waarop de schooladviezen tot stand komen. Bijvoorbeeld over de gegevens die worden gebruikt bij het opstellen van het schooladvies. Ook kan in een gemeente of een regio worden afgesproken dat er nog gelegenheid is voor overleg tussen de basisschool en de beoogde VO-school, voordat een advies definitief wordt. Als de VO-school twijfelt over de onderbouwing van het advies, kan dat in dit overleg aan de orde worden gesteld.

De basisschool moet vóór 1 maart het schooladvies vaststellen. In april/mei worden de resultaten van de eindtoets bekendgemaakt. Dan is ook duidelijk welke leerlingen hoger dan verwacht hebben gescoord op de eindtoets. Voor die leerlingen moet de basisschool het eerder vastgestelde schooladvies heroverwegen. De basisschool kan dan besluiten het schooladvies naar boven toe bij te stellen. Wanneer een basisschool besluit het advies niet bij te stellen, moet zij beargumenteren waarom hiervoor gekozen is. Voor het heroverwegen en bijstellen bestaat geen deadline, maar opname van gegevens in BRON moet binnen twee weken na bijstelling of twee weken na de uitslag op de eindtoets gebeuren. Het is voor de plaatsing op de VO-school prettig als dit zo spoedig mogelijk na het ontvangen van de eindtoetsresultaten gebeurt.

De basisschool bepaalt zelf hoe het schooladvies tot stand komt en welke gegevens daarbij worden betrokken. De basisschool gebruikt hiervoor bijvoorbeeld de gegevens uit het leerlingvolgsysteem en observaties over de ontwikkeling van de leerling. Op lokaal en regionaal niveau kunnen basisscholen en VO-scholen hier afspraken over maken. Het gaat dan om afspraken die de basisschool en de VO-school allebei onderschrijven.

Het voorlopige schooladvies kan nog worden aangepast door de basisschool voordat deze wordt vastgesteld. Er kunnen dus geen rechten aan worden ontleend. Na 1 maart kan het schooladvies alleen worden bijgesteld wanneer op basis van de eindtoets een hoger schooltype wordt geadviseerd dan het schooladvies.

Als ouders het niet eens zijn met het advies, gaan zij in overleg met de leerkracht en/of directeur van de basisschool. Als zij niet tot overeenstemming komen over het niveau waarop de leerling zal instromen in het VO, dan kunnen de ouders in het uiterste geval gebruikmaken van de klachtenregeling van de school.

Als ouders het niet eens zijn met het schooladvies volstaat de klachtenregeling van de school op grond van artikel 14 van de Wet op het primair onderwijs. Elke school moet een klachtenregeling voor ouders en personeel hebben, waarin staat hoe de school met klachten omgaat. Men kan een klacht indienen bij de klachtencommissie van de school. Als de school geen eigen klachtencommissie heeft, dan moet de school zijn aangesloten bij de Landelijke Klachtencommissie in Utrecht.

Voor meer informatie zie: https://www.rijksoverheid.nl/contact/contactgids/adressen-landelijke-klachtencommissies-in-het-onderwijs

Nee. De basisschool bepaalt zelf hoe het schooladvies tot stand komt en welke gegevens daarbij worden betrokken. De basisschool is eigenaar van haar eigen advies. De school bepaalt dus zelf welke toetsen worden afgenomen en hoe de resultaten worden betrokken bij het opstellen van een weloverwogen schooladvies. Een uitzondering hierop vormen de toetsen voor een toelaatbaarheidsverklaring voor bijvoorbeeld LWOO en PrO.

Op lokaal en regionaal niveau kunnen basisscholen en vo-scholen hier wel afspraken over maken. Het gaat dan om afspraken die de basisschool en de vo-school allebei onderschrijven, en dus niet om het eenzijdig afdwingen van een toets door het voortgezet onderwijs.

Naast het schooladvies mag de basisschool een plaatsingsadvies geven waaruit blijkt welke brugklas het meest geschikt zou zijn voor de leerling, gegeven het schooladvies. Het schooladvies is leidend voor de toelaatbaarheid tot het VO, aan het plaatsingsadvies kunnen geen rechten worden ontleend. Het moet voor iedereen duidelijk zijn welk advies het schooladvies is en welk advies het plaatsingsadvies is. Het schooladvies dient bij alle partijen bekend te zijn en hetzelfde te zijn. Zo dienen de ouders, de school voor voortgezet onderwijs en de registratie in BRON PO allemaal over hetzelfde schooladvies te beschikken.

Sommige basisscholen geven naast het schooladvies ook nog een plaatsingsadvies mee aan het voortgezet onderwijs. Bijvoorbeeld een schooladvies havo en een plaatsingsadvies havo/vwo. Het schooladvies is leidend voor toelating tot het voortgezet onderwijs. Het plaatsingsadvies is onderdeel van de nadere toelichting op het schooladvies. De VO-school kan er rekening mee houden bij het plaatsen van de leerling in een havo-brugklas, maar dit hoeft niet.

Er bestaat in de wet een onderscheid tussen ‘toelaatbaarheid’ en ‘toelating’:

  • Toelaatbaarheid is de mate waarin een leerling in staat is om goed te functioneren binnen een bepaalde schoolsoort. De toelaatbaarheid wordt bepaald op basis van het schooladvies van de leerling.
  • Toelating is de beslissing van de school over de vraag of de leerling past bij de levensbeschouwelijke grondslag van een bijzondere school: onderschrijven of respecteren deze leerlingen/zijn ouders de grondslag van onze school? Deze beslissing blijft altijd bij de VO-school zelf.
    Een VO-school kan een leerling weigeren die wel toelaatbaar is tot een schoolsoort die wordt aangeboden op de school, maar waarbij de leerling of de ouders niet de grondslag van de school onderschrijven of respecteren. Dit moet wel gebeuren op basis van een consistent en transparant toelatingsbeleid van de betreffende school.

De wet (artikel 42) schrijft voor dat scholen bij een hoger resultaat op de eindtoets verplicht zijn om het afgegeven schooladvies opnieuw kritisch te bezien: is dit advies, gegeven de eindtoetsscore, inderdaad het best passende schooladvies voor deze leerling? Het is daarmee de verantwoordelijkheid van de school om per leerling het afgegeven schooladvies te heroverwegen.

Als een school of een groep scholen besluit niet te heroverwegen, handelen zij in strijd met de wet. Het is bovendien niet in lijn met de geest van de wet dat leerlingen recht hebben op een tweede objectief gegeven – het toetsadvies – naast hun schooladvies.

Heroverwegen is dus verplicht. Scholen kunnen wel onderling afspreken in welke situaties het schooladvies na een heroverweging ook daadwerkelijk wordt bijgesteld, maar bijstelling kan nooit op voorhand worden uitgesloten. Daarnaast dient de basisschool de ouders te betrekken bij de heroverweging.

Als het toetsadvies hoger is dan het schooladvies, is de basisschool verplicht het schooladvies te heroverwegen. Een toetsadvies dat een half schooltype hoger is dan het schooladvies telt al als een hoger advies. Een toetsadvies voor vmbo-bb/kb is bijvoorbeeld hoger dan een schooladvies voor vmbo-bb. De basisschool heroverweegt in dit geval altijd het schooladvies en kan besluiten het schooladvies aan te passen. De school kijkt goed naar de onderbouwing van het schooladvies en maakt een weloverwogen afweging welk advies uiteindelijk het beste is voor de leerling. De school betrekt idealiter de ouders van de leerling bij deze afweging. Wanneer de school besluit het advies niet bij te stellen, dan moeten zij dit beargumenteren. Als het resultaat van de eindtoets PO minder goed is dan verwacht, mag de school het schooladvies niet aanpassen.

Een heroverwogen advies overschrijft het oude advies en geldt dan bij de toelating als het officiële schooladvies. Als een advies wordt bijgesteld, worden beide adviezen door de basisschool wel apart opgenomen in BRON. De basisschool voert het bijgestelde advies in op een ander veld in BRON. Daardoor houdt de Inspectie zicht op het oorspronkelijke en het bijgestelde advies.

Voor het beoordelen van het zogenoemde onderbouwrendement in het Voortgezet onderwijs gebruikt de Inspectie deze initiële adviezen.

 

Als de schoolsoort wel wordt aangeboden, maar er geen plaats meer is, kan de school niet worden gehouden aan het toelaten van de leerling tot die schoolsoort. De ouders moeten dan zelf uitwijken naar een andere school waar nog wel ruimte is.

Een bijgesteld advies geeft recht op toelating tot de daarbij behorende schoolsoort. De VO-school mag hier niet aan voorbij gaan. Indien de ouders en de leerling géén gebruik wensen te maken van dit recht en kiezen voor plaatsing binnen de oorspronkelijke schoolsoort, dan mag dit uiteraard worden opgevolgd.

  • Als de betrokken schoolsoort niet wordt aangeboden, zal de leerling zich moeten aanmelden bij een andere VO-school waar die schoolsoort wel wordt aangeboden.
  • Als de schoolsoort wel wordt aangeboden, maar er geen plaats meer is, kan de school niet worden gehouden aan het toelaten van de leerling tot die schoolsoort. De ouders en leerling moeten dan zelf uitwijken naar een andere school waar nog wel ruimte is.
  • Als de betrokken leerling een extra ondersteuningsbehoefte heeft, dan geldt de zorgplicht passend onderwijs. De leerling was immers al toegelaten. De VO-school helpt de leerling dan bij het vinden van een passende plek op een andere school (op het juiste niveau).

De leerling kan in dit geval toegelaten worden tot de havo of tot het vwo. Als de school slechts een van deze schoolsoorten aanbiedt en van mening is dat de leerling beter af is in de andere schoolsoort, dan hoeft de VO-school de leerling niet toe te laten. Zo kan een categoraal gymnasium bijvoorbeeld een leerling met een havo/vwo advies weigeren als de school van mening is dat het in het belang van de leerling is wanneer hij of zij naar een school gaat die ook havo aanbiedt. De betrokken school dient dan wel op dit punt consistent te handelen, dus niet de ene leerling met een havo/vwo advies weigeren en een andere leerling met eenzelfde advies toelaten.

Nee, vanaf het schooljaar 2017/2018 is het niet langer toegestaan om meervoudige schooladviezen categorisch uit te sluiten. Een leerling heeft recht op het meest passende advies. Dat kan zowel een enkelvoudig als een meervoudig advies zijn.

Wanneer een basisschool vindt dat het in het belang van de leerling het meest passend is een enkelvoudig advies te geven, dan is dat toegestaan. Maar een basisschool mag het geven van meervoudige adviezen niet categorisch uitsluiten. Op verzoek van bijvoorbeeld leerling en/of ouders moet een meervoudig advies altijd bespreekbaar zijn.

Een basisschool kan zowel een enkelvoudig, als een meervoudig advies geven. Een meervoudig advies omvat ten hoogste twee schoolsoorten. Een basisschool kan bijvoorbeeld een vmbo-tl/havo-advies geven. Een schooladvies dat drie of meer schooltypes omvat, is niet meer toegestaan. Het geven van een schooladvies voor vmbo-tl/havo/vwo is dus niet mogelijk. Een dergelijk breed schooladvies zegt namelijk weinig over wat het best passende vervolg voor een leerling is. Er zijn overigens wel brugklassen die leerlingen voorbereiden op meerdere schoolsoorten.

Basisscholen kunnen enkelvoudige adviezen geven of adviezen die twee schoolsoorten beslaan. Een basisschool kan bijvoorbeeld een vmbo-tl/havo-advies geven. Een schooladvies dat drie of meer schooltypes omvat is niet meer toegestaan. Een schooladvies voor vmbo-tl/havo/vwo is dus niet mogelijk. Een dergelijk breed schooladvies zegt namelijk weinig over wat het best passende vervolg voor een leerling is.

Er zijn overigens wel brugklassen die leerlingen voorbereiden op meerdere schoolsoorten.

Nee. De basisschool is eigenaar van haar schooladvies en bepaalt welke adviezen worden gegeven. De regelgeving biedt de mogelijkheid om te kiezen tussen enkelvoudige of meervoudige adviezen. Op lokaal of regionaal niveau mogen geen afspraken meer worden gemaakt tussen primair en voortgezet onderwijs over het categorisch uitsluiten van meervoudige adviezen.

Aan alle eindtoetsen PO die door het ministerie zijn toegelaten, zijn voor de basisschool geen extra kosten verbonden.

Toetsaanbieders verstrekken soms additionele producten, deze zijn wel voor rekening van de betreffende basisschool.

Nee, elke school neemt 1 eindtoets af. Het is niet toegestaan om meerdere eindtoetsen af te nemen. Echter, wanneer – na afstemming met de toetsaanbieder van de gekozen toets – blijkt dat de eindtoets voor een individuele leerling niet voorziet in de juiste ondersteuningsbehoefte (bijvoorbeeld een braille versie), geldt de Centrale Eindtoets als vervangende toets voor deze individuele leerling.

Wanneer uw school twee of meer vestigingen heeft onder hetzelfde BRIN-nummer, die door de inspectie als afzonderlijke toezichteenheden worden gezien, dan is het mogelijk dat verschillende vestigingen kiezen voor verschillende eindtoetsen.

Indien u vragen heeft over de door de Inspectie als afzonderlijke toezichteenheden aangemerkte vestigingen dan kunt u contact opnemen met de onderwijsinspectie (loket@onderwijsinspectie.nl of telefoonnummer 088 669 660).

Scholen kunnen uit de volgende eindtoetsen kiezen:

De eindtoets bestaat uit twee verplicht onderdelen: Nederlandse taal en rekenen. Sommige eindtoetsen bieden daarnaast ook nog facultatieve onderdelen aan.

Meer informatie over de verschillende eindtoetsen is te vinden op de pagina over de eindtoets.

Een school kiest voor één bepaalde eindtoets. Een bestuur met meer dan één school kan dus scholen hebben waar verschillende eindtoetsen worden afgenomen.

Nee, een intelligentietest geldt niet als een eindtoets en kan niet dienen als tweede, objectief gegeven bij de overgang van het basisonderwijs naar het voortgezet onderwijs. Een intelligentietest als tweede gegeven wordt niet toegestaan, omdat hiermee niet de beheersing van de kernvaardigheden taal en rekenen in beeld wordt gebracht. Dit doen de eindtoetsen wel. Dit neemt niet weg dat een basisschool vooruitlopend op een eindtoets een intelligentietest bij leerlingen kan afnemen. Het inzicht dat dit oplevert kan de school gebruiken bij het opstellen van haar eigen schooladvies. Het kan ook gebruikt worden door de VO-school voor het aanvragen van een lwoo- of pro-indicatie.

Scholen ontvangen van de aanbieders van de beschikbare eindtoetsen informatie over de inschrijving voor hun eindtoets. Deze informatie is ook te vinden op de websites van de verschillende eindtoetsen.

Aanmelding voor een eindtoets is mogelijk vanaf 1 december tot en met 31 januari in het betreffende schooljaar waarin de toets moet worden gemaakt. De eindtoetsen zijn gratis.

Meer informatie:
Centrale eindtoets: www.centraleeindtoetspo.nl 
ROUTE 8: www.route8.nl
IEP Eindtoets: www.toets.nl/iepeindtoets
Dia-eindtoets: www.diatoetsen.nl/basisonderwijs/dia-eindtoets
AMNwww.amn.nl/onderwijs/po/eindtoets-po

De eindtoets heeft de functie van een tweede, schoolonafhankelijk gegeven. De eindtoets biedt leerlingen een extra kans om tot aan het einde van het schooljaar te laten zien wat ze kunnen. Dit kan van invloed zijn op het schooladvies. Door het naar achteren verplaatsen van het afnamemoment van februari naar april hebben leerlingen meer tijd om te werken aan het versterken van hun vaardigheden en te laten zien wat ze beheersen. Zo wordt de onderwijstijd maximaal benut.

Daarnaast kan de VO-school de resultaten van de eindtoets gebruiken om informatie te krijgen over de startpositie van leerlingen. Sommige VO-scholen toetsen leerlingen nu aan het begin van de brugklas. Dit is niet meer nodig nu de resultaten op de eindtoets van recenter datum zijn. Dit vermindert de toetsdruk voor leerlingen.

Tot slot geven de resultaten op de eindtoets zicht op waar de leerling staat ten opzichte van de referentieniveaus voor taal en rekenen. Deze informatie kan de VO-school benutten om een doorlopende leerlijn te creëren voor taal en rekenen en zo een optimale aansluiting tussen PO en VO te bevorderen. Bovendien kan de basisschool deze gegevens benutten om te reflecteren op het eigen onderwijs.

Ja. Het is echter afhankelijk van de keuze voor een eindtoets hoeveel vrijheid de basisschool heeft om zelf in te plannen wanneer zij de eindtoets afnemen.

Bij een digitale eindtoets is het voor een basisschool veelal toegestaan binnen de periode van 15 april en 15 mei de toets zelf in te plannen.

Bij een papieren afname van de eindtoets is de basisschool strikt gehouden aan de vastgestelde afnamedata.

In de handleiding van de betreffende eindtoets wordt de afnameperiode expliciet beschreven.

Eindtoetsaanbieders zullen ervoor zorgdragen dat een eindtoets altijd plaatsvindt binnen de wettelijk vastgestelde periode (15 april tot 15 mei).

Een eindtoets moet afgenomen worden tussen 15 april en 15 mei. Per toets verschillen de afnamedata. Dit heeft onder meer te maken met of een toets digitaal of op papier wordt afgenomen. Meer informatie over exacte afnamedata van elke eindtoets is te vinden op de websites van de verschillende eindtoetsen:

De manier van afnemen verschilt tussen de toegelaten eindtoetsen. Meer informatie hierover is te vinden op de websites van de verschillende eindtoetsen. Zie hiervoor de pagina over de eindtoets.

Alle leerlingen moeten de eindtoets in gelijke omstandigheden kunnen maken. Dit betekent dat het van groot belang is dat de opgaven geheim blijven totdat de eindtoets wordt afgenomen. De directeur is, vanaf het moment waarop het toetsmateriaal op school beschikbaar is, verantwoordelijk voor een juiste afname en geheimhouding.  Dit is geregeld in het Toetsbesluit PO.

De geheimhoudingsprocedure en de manier waarop scholen om dienen te gaan met de eindtoets vóór, tijdens en ná de afname staan expliciet beschreven in de meegeleverde handleiding van de betreffende toets.

De eindtoets is een verplichte onderwijsactiviteit voor alle leerlingen in groep 8 (artikel 41 van de Wet Primair Onderwijs). Bij andere onderwijsactiviteiten kan de school op verzoek van de ouders een leerling vrijstellen van deelname aan een activiteit. Bij de eindtoetsing is dit niet mogelijk.

Wanneer een school wordt geconfronteerd met weigerachtige ouders dient de school te benadrukken dat deelname aan de eindtoets verplicht is en dat elke leerling recht heeft op een eindtoets. Het resultaat hierop is belangrijk als tweede onafhankelijk gegeven voor de overgang naar het voortgezet onderwijs. Als de leerling hier niet over beschikt, mag de school voor voortgezet onderwijs de leerling aanvullend toetsen voordat de school over de toelating besluit.

Als de ouders desondanks toch blijven weigeren, dan is er sprake van ongeoorloofd verzuim. Daarbij doet het er niet toe of de leerling door de ouders thuis wordt gehouden of naar school wordt gebracht met de opdracht om de eindtoets niet te maken. In beide gevallen verzuimt de leerling lestijd. De ouders zorgen dus niet voor geregeld schoolbezoek in de zin van de Leerplichtwet. De school kan daarom contact opnemen met de leerplichtambtenaar. De leerplichtambtenaar kan vervolgens de ouders aanspreken en zo nodig maatregelen treffen.

Voor de school is het daarnaast belangrijk dat zij de betrokken leerling gedurende de afname van de eindtoets niet een alternatieve activiteit aanbiedt. In dat geval verleent de school namelijk een feitelijke vrijstelling van deelname aan deze verplichte onderwijsactiviteit. De school leeft dan zelf de wettelijke verplichting niet na. De inspectie kan in dat geval de school hierop aanspreken en, indien nodig, sanctionerend optreden.

Wanneer een school aantoonbaar heeft geprobeerd om de ouders van gedachten te laten veranderen, zal de inspectie de leerling in kwestie niet meenemen bij de beoordeling van de opbrengsten.

Nee, de eindtoets is een verplichte onderwijsactiviteit en moet door alle leerlingen worden gemaakt. Dit is vastgelegd in de wet (artikel 41, WPO).

Voor leerlingen met speciale ondersteuningsbehoeften gelden dezelfde eisen voor de eindtoets als voor andere leerlingen. Zij zijn wettelijk niet uitgezonderd van de verplichting om een eindtoets te maken. Met bepaalde aanpassingen zijn ook deze leerlingen in staat de eindtoets te maken. Zo bieden de toetsaanbieders bijvoorbeeld aanpassingen aan voor leerlingen met dyslexie of een auditieve of visuele beperking. Bij de meeste eindtoetsen geeft u al bij de inschrijving door welke leerlingen ondersteuning nodig hebben.

De beslissing of een leerling speciale ondersteuning nodig heeft, is aan de school. Als school heeft u de plicht om vooraf te onderzoeken welke speciale ondersteuning leerlingen nodig hebben. Als de aangepaste versies en de toegestane mogelijkheden om de afnamecondities aan te passen in de ogen van de directeur niet voldoen, neemt de directeur contact op met de toetsaanbieder om te overleggen welke specifieke aanpassingen nodig zijn.

Meer informatie over de aanpassingen die mogelijk zijn voor leerlingen met speciale ondersteuningsbehoeften is te vinden op de websites van de verschillende eindtoetsen. Zie hiervoor de pagina over de eindtoets.

Na de afname van de eindtoets ontvangt de school individuele rapportages per leerling en een schoolrapportage/groepsrapportage.

Leerlingrapportage

Het leerlingrapport geeft het niveau van de leerling aan. Op het leerlingrapport staat ook vermeld welk referentieniveau is behaald per onderdeel lezen, taalverzorging en rekenen. Daarnaast geeft het leerlingrapport het schooladvies weer.

Schoolrapportage/groepsrapportage

De groepsrapportage bevat een overzicht van de resultaten van alle leerlingen.

Het moment en de manier van rapportage is verschillend voor de zes toegelaten eindtoetsen. Meer informatie is te vinden op de websites van de verschillende toetsen. Zie hiervoor de pagina over de eindtoets.

Nee, dit mag niet. De eindtoets is bedoeld om de kennis en vaardigheden van leerlingen te toetsen aan het eind van de basisschool. De eindtoets wordt dus uitsluitend gemaakt door leerlingen die daarna de basisschool verlaten.

Nee, dit mag niet. De eindtoets is bedoeld om de kennis en vaardigheden van leerlingen te toetsen aan het eind van de basisschool. De eindtoets wordt dus uitsluitend gemaakt door leerlingen die daarna de basisschool verlaten.

Alle leerlingen van groep 8 in het reguliere basisonderwijs zijn verplicht om een eindtoets PO te maken. Wel zijn er uitzonderingen. Voor onderstaande groepen leerlingen is het maken van een eindtoets PO wettelijk niet verplicht, al mogen deze leerlingen wel deelnemen aan de eindtoets:

  1. Leerlingen die korter dan vier jaar in Nederland wonen en de Nederlandse taal nog niet voldoende beheersen.
  2. Leerlingen die een ontwikkelingsperspectief hebben met als verwachte uitstroombestemming vso-arbeidsmarkt of vso-dagbesteding.
  3. Leerlingen met een IQ lager dan 75 volgens een recente IQ-test die voldoet aan de criteria van de Cotan. Als de IQ-test ouder is dan twee jaar, dienen gegevens uit het leerling- en onderwijsvolgsysteem te bevestigen dat de ontwikkeling van de leerling niet verder is dan het niveau van eind groep 5 van het basisonderwijs.

Het bevoegd gezag beslist, na overleg met de ouders, of leerlingen die binnen deze ontheffingsgronden vallen, wel of niet meedoen aan de eindtoets. Wordt de leerling hiervan vrijgesteld, dan legt de school de onderbouwing van deze beslissing vast in de eigen administratie.

Leerlingen die uit zullen stromen naar het praktijkonderwijs of naar het vmbo met leerwegondersteunend onderwijs doen in principe wel mee aan de eindtoets tenzij de leerling onder een van de bovenstaande ontheffingsgronden valt.

Klik hier voor de Beleidsregel ontheffingsgronden eindtoetsing PO waarin dit nader wordt toegelicht.

Ja, vanaf het schooljaar 2017-2018 zijn de ontheffingsgronden aangepast. In de ontheffingsgronden is beschreven welke leerlingen niet vallen onder de verplichting tot het maken van een eindtoets. Voorheen gold dat leerlingen met een IQ lager dan 70 geen eindtoets hoeven te maken. Dit is gewijzigd in een IQ van 75.

Leerlingen met een IQ lager dan 75 volgens een recente IQ-test die voldoet aan de criteria van de Cotan zijn niet verplicht de eindtoets te maken. Als de IQ-test ouder is dan twee jaar, dienen gegevens uit het leerling- en onderwijsvolgsysteem te bevestigen dat de ontwikkeling van de leerling niet verder is dan het niveau van eind groep 5 van het basisonderwijs.

Klik hier voor de officiële bekendmaking in de Staatscourant.

De eindtoets is een verplichte onderwijsactiviteit in groep 8. Alle leerlingen dienen hieraan mee te doen, ook als al duidelijk is dat de leerling zal blijven zitten.

Leerlingen op scholen voor speciaal onderwijs (SO) en speciaal basisonderwijs (SBO) zijn nog niet verplicht om deel te nemen aan de eindtoets PO. De eindtoets PO zal in schooljaar 2019-2020 ook voor deze leerlingen verplicht worden gesteld. Tot die tijd hebben deze scholen wel de mogelijkheid om een eindtoets vrijwillig af te nemen bij (een deel van) de leerlingen.

Het ministerie van OCW heeft een richtlijn opgesteld over de toepassing van de ontheffingsgrond. Deze richtlijn sluit zo nauw mogelijk aan bij de praktijk van passend onderwijs. De richtlijn biedt het bevoegd gezag meerdere mogelijkheden bij de onderbouwing van het ontheffen van een leerling. Dit om zo goed mogelijk te kunnen aansluiten bij elke individuele leerling en om de administratieve lasten voor de school zo beperkt mogelijk te houden.

Een stroomschema dat u ondersteunt bij de toepassing van de ontheffingsgronden, vindt u bij de vraag ‘Moet deze leerling een eindtoets maken?’

Uitstroombestemming volgens ontwikkelingsperspectief (OPP)
Elke leerling in het reguliere basisonderwijs die extra ondersteuning krijgt, heeft na de invoering van passend onderwijs een ontwikkelingsperspectief (OPP). Daarin wordt duidelijk:

  • wat de uitstroombestemming van de leerling is naar het voortgezet onderwijs;
  • welke ondersteuning hij/zij ontvangt;
  • indien van toepassing: de afwijkingen van het reguliere onderwijsprogramma.

Binnen het OPP bestaan de volgende mogelijke uitstroombestemmingen:

  • een van de schoolsoorten van het reguliere voortgezet onderwijs;
  • het praktijkonderwijs;
  • de verschillende uitstroomprofielen binnen het vso (diplomagericht, arbeidsmarkt en dagbesteding).

De verwachte uitstroombestemming in het OPP biedt een concreet en relevant aanknopingspunt voor de ontheffingsgronden voor de eindtoets. De uitstroomprofielen vso-arbeidsmarkt en vso-dagbesteding zijn speciaal gericht op leerlingen die zeer moeilijk lerend zijn. Dit maakt het mogelijk om deze uitstroomprofielen te gebruiken als concrete invulling van de eerste twee ontheffingsgronden. De school is er zelf voor verantwoordelijk om dit voldoende te onderbouwen, onder andere met behulp van het leerling- en onderwijsvolgsysteem. Het bevoegd gezag beslist, na overleg met de ouders, of leerlingen die binnen deze ontheffingsgrond vallen, wel of niet meedoen aan de eindtoets. Wordt de leerling hiervan vrijgesteld, dan legt de school de onderbouwing van deze beslissing vast in de eigen administratie.

IQ-toets
Niet alle zeer moeilijk lerende leerlingen stromen uit naar deze twee profielen van het vso. Sommigen stromen door naar bijvoorbeeld het praktijkonderwijs. Om te zorgen dat ook deze leerlingen niet onnodig worden getoetst, bevat deze beleidsregel de mogelijkheid om een leerling met een IQ onder de 75 te ontheffen van de verplichting om een eindtoets te maken. Ook hier beslist het bevoegd gezag of de leerling vrijwillig meedoet aan de eindtoets, of dat de school de leerling hiervan ontheft. Hetzelfde is van toepassing op zeer moeilijk lerende leerlingen die géén extra ondersteuning vanuit het samenwerkingsverband krijgen, omdat men voor een hoge graad van basisondersteuning heeft gekozen.

Vanuit OCW wordt aangegeven dat een IQ-toets geldig is als deze maximaal twee jaar oud is op het moment van afname van een eindtoets en als deze voldoet aan de criteria van de Cotan. Als de IQ-test ouder is dan twee jaar, dienen gegevens uit het leerling- en onderwijsvolgsysteem te bevestigen dat de ontwikkeling van de leerling niet verder is dan het niveau van eind groep 5 van het basisonderwijs.

Ja, deze leerling herhaalt het hele lesprogramma van groep 8, en dus ook de eindtoets. De leerling kan hiermee ook laten zien dat hij meer kennis en vaardigheden heeft dan in het jaar daarvoor.

Alle leerlingen maken aan het eind van de basisschool een eindtoets. Voor leerlingen die na groep 7 de basisschool verlaten, ligt het daarom voor de hand dat zij in groep 7 de eindtoets maken. Dit is echter niet verplicht.

Kermiskinderen maken de eindtoets op hun winterschool. Indien dit niet mogelijk is, maken deze leerlingen de eindtoets bij de rijdende school.

De wijze waarop de inspectie de leerresultaten van een school beoordeelt staat beschreven in de Regeling leerresultaten PO (zie onderstaande link). De onderstaande groepen leerlingen worden niet betrokken bij de beoordeling van de leerresultaten:

  • Leerlingen met een ontheffingsgrond (zie hierboven).
  • Leerlingen die uitstromen naar praktijkonderwijs of voortgezet speciaal onderwijs.
  • Leerlingen met beperkte cognitieve capaciteiten op het gebied van taal én rekenen. Dit zijn leerlingen met een IQ onder de 80 volgens een recente IQ-test die voldoet aan de criteria van de Cotan of leerlingen die maximaal het eindniveau van leerjaar 6 behalen voor taal én rekenen. Indien de IQ-test ouder is dan twee jaar, moeten gegevens uit het leerling- en onderwijsvolgsysteem de uitkomsten van de eerdere IQ-test bevestigen.
  • Leerlingen die in groep 7 of 8 op school zijn ingestroomd.

Klik hier voor de volledige Regeling leerresultaten PO.
Klik hier voor de Beleidsregel ontheffingsgronden eindtoetsing PO.

Een eindtoets PO is in principe verplicht voor alle leerlingen van groep 8 in het reguliere basisonderwijs, ook als zij niet worden meegenomen bij de beoordeling van de leerresultaten door de inspectie. Ook aan deze leerlingen moet voor 1 maart een schooladvies afgegeven worden. De eindtoets kan nuttige, aanvullende informatie opleveren bij het afgegeven schooladvies.

De enige uitzondering hierop zijn de leerlingen die onder de ontheffingsgronden vallen. Zij hoeven geen eindtoets te maken, maar dit mag wel.

Klik hier voor de volledige Regeling leerresultaten PO.

Klik hier voor de Beleidsregel ontheffingsgronden eindtoetsing PO.

Scholen kunnen zich verantwoorden met een goedgekeurde eindtoets. Een school kan zich dus verantwoorden met de centrale eindtoets of met een andere eindtoets die door de minister is toegelaten.

Meer informatie over de verschillende eindtoetsen is te vinden op de pagina over de eindtoets.

Het schooljaar 2014-2015 was een overgangsjaar. Scholen konden er toen nog voor kiezen gebruik te maken van enkele bestaande toetsen. Dat is vanaf het schooljaar 2015-2016 niet meer mogelijk. Elke reguliere basisschool moet nu een goedgekeurde eindtoets afnemen.

Scholen kunnen zonder enig probleem voor deze toegelaten eindtoetsen kiezen. De regeling leerresultaten voorziet in normen voor alle eindtoetsen. Een school kan zich dus met iedere toegelaten eindtoets verantwoorden.

Voor de leerresultaten geldt dat leerlingen die voldoen aan de ontheffingsgronden, niet worden betrokken bij de beoordeling van de leerresultaten. De onderstaande groepen leerlingen worden ook niet betrokken bij de beoordeling van de leerresultaten:

  • Leerlingen die uitstromen naar praktijkonderwijs of voortgezet speciaal onderwijs.
  • Leerlingen met beperkte cognitieve capaciteiten op het gebied van taal én rekenen. Dit zijn leerlingen die maximaal het eindniveau van leerjaar 6 behalen voor taal én rekenen, of leerlingen met een IQ onder de 80 volgens een recente IQ-test die voldoet aan de criteria van de Cotan. Indien de IQ-test ouder is dan twee jaar, moeten gegevens uit het leerling- en onderwijsvolgsysteem de uitkomsten van de eerdere IQ-test bevestigen.
  • Leerlingen die in groep 7 of 8 op school zijn ingestroomd.

Klik hier voor de volledige Regeling leerresultaten PO.

Klik hier voor de Beleidsregel ontheffingsgronden eindtoetsing PO.

Hier hoeft een basisschool zelf niets voor te regelen. Bij de beoordeling van de leerresultaten kijkt de inspectie eerst op basis van de resultaten van alle leerlingen of een school voldoende leerresultaten heeft gehaald. Als een school drie jaar achter elkaar onvoldoende resultaten lijkt te hebben, dan filtert de inspectie onderstaande groepen leerlingen eruit. Als de resultaten dan nog steeds drie jaar onvoldoende lijken, stuurt de inspectie de school een vragenlijst om te controleren of de resultaten daadwerkelijk drie jaar achter elkaar onvoldoende zijn. De school kan dit bevestigen of een nadere toelichting geven als dat volgens hem niet het geval is.

  • Leerlingen met een ontheffingsgrond, die wel de eindtoets maken (zie hierboven).
  • Leerlingen die uitstromen naar praktijkonderwijs of voortgezet speciaal onderwijs.
  • Leerlingen met beperkte cognitieve capaciteiten op het gebied van taal én rekenen. Dit zijn leerlingen die maximaal het eindniveau van leerjaar 6 behalen voor taal én rekenen, of leerlingen met een IQ onder de 80 volgens een recente IQ-test die voldoet aan de criteria van de Cotan. Indien de IQ-test ouder is dan twee jaar, moeten gegevens uit het leerling- en onderwijsvolgsysteem de uitkomsten van de eerdere IQ-test bevestigen.
  • Leerlingen die in groep 7 of 8 op school zijn ingestroomd.

Een eindtoets PO is in principe verplicht voor alle leerlingen van groep 8 in het reguliere basisonderwijs, ook als zij niet worden meegenomen in de opbrengstenbepaling van de inspectie. Ook aan deze leerlingen moet voor 1 maart een schooladvies afgegeven worden. De eindtoets kan nuttige, aanvullende informatie bij het afgegeven schooladvies opleveren.

De enige uitzondering hierop zijn de leerlingen die onder de ontheffingsgronden vallen. Zij hoeven geen eindtoets te maken, maar dit mag wel.

Klik hier voor de volledige Regeling leerresultaten PO.

Klik hier voor de Beleidsregel ontheffingsgronden eindtoetsing PO.

Dit moet een van de onderstaande toetsen zijn:

Normen voor deze eindtoetsen staan vermeld onder de regeling leerresultaten

Het schooladvies is leidend en geeft de leerling recht op ten minste een bepaald niveau van onderwijs. Scholen kunnen ook een leerling hoger toelaten indien zij dat wenselijk vinden.

Een ouder heeft de vrijheid om zelf te bepalen welk onderwijs hun kind volgt. Een ouder kan dus ook zelf besluiten om hun kind op een lager niveau aan te melden. In dat geval mag de school op expliciet verzoek van de ouders de leerling op dat lagere niveau toelaten.

Nee. De basisschool bepaalt zelf hoe het schooladvies tot stand komt en welke gegevens daarbij worden betrokken. De basisschool is eigenaar van haar eigen advies. De school bepaalt dus zelf welke toetsen worden afgenomen en hoe de resultaten worden betrokken bij het opstellen van een weloverwogen schooladvies. Een uitzondering hierop vormen de toetsen voor een toelaatbaarheidsverklaring voor bijvoorbeeld LWOO en PrO.

Op lokaal en regionaal niveau kunnen hier wel afspraken over worden gemaakt tussen basisscholen en VO-scholen. Het gaat dan om afspraken die de basisschool en de VO-school allebei onderschrijven, en dus niet om het eenzijdig afdwingen van een toets door het voortgezet onderwijs.

Het schooladvies is in principe leidend voor toelating tot het voortgezet onderwijs. Wanneer ouders in overleg met de VO-school tot overeenstemming komen om de leerling op een ander niveau dan het schooladvies toe te laten, dan kan dit. Ouders mogen hierom vragen, maar de VO-school hoeft hier geen gehoor aan te geven. Plaatsing op een lager niveau dan het schooladvies kan op wens van ouders ook worden gehonoreerd.

Het schooladvies is leidend voor toelating tot het voortgezet onderwijs. Dit staat sinds 1 augustus 2014 in de Wet op het voortgezet onderwijs (WVO, artikel 27, lid 1c) en het Inrichtingsbesluit WVO (artikel 3). De VO-school mag de toetsgegevens van leerlingen niet langer gebruiken als enig of doorslaggevend criterium bij de toelating van leerlingen. In overleg tussen primair en voortgezet onderwijs in de regio kunnen afspraken gemaakt worden over de totstandkoming van het basisschooladvies.

Sommige basisscholen geven naast het schooladvies ook nog een plaatsingsadvies mee aan het voortgezet onderwijs. Bijvoorbeeld een schooladvies havo en een plaatsingsadvies havo/vwo. Het schooladvies is leidend voor toelating tot het voortgezet onderwijs. Het plaatsingsadvies is onderdeel van de nadere toelichting op het schooladvies. De VO-school kan er rekening mee houden bij het plaatsen van de leerling in een havo-brugklas, maar dit hoeft niet.

Nee, het schooladvies is leidend voor toelating tot het voortgezet onderwijs. Dit staat sinds 1 augustus 2014 in de Wet op het voortgezet onderwijs (WVO, artikel 27, lid 1c) en het Inrichtingsbesluit WVO (artikel 3). De VO-school mag de toetsgegevens van leerlingen niet langer gebruiken als enig of doorslaggevend criterium bij de toelating van leerlingen. In overleg tussen primair en voortgezet onderwijs in de regio kunnen afspraken gemaakt worden over de totstandkoming van het basisschooladvies.

De leerling kan in dit geval toegelaten worden tot de havo of tot het vwo. Als de school slechts een van deze schoolsoorten aanbiedt en van mening is dat de leerling beter af is in de andere schoolsoort, dan hoeft de school voor voortgezet onderwijs de leerling niet toe te laten. Zo kan een categoraal gymnasium bijvoorbeeld een leerling met een havo/vwo advies weigeren als de school van mening is dat de leerling beter af zou zijn op een school die ook havo aanbiedt.

Nee. De basisschool noch de VO-school kunnen voorbijgaan aan de uitslag van de eindtoets als ‘second opinion’. De basisschool dient de uitslag te verstrekken aan de VO-school. Wanneer de basisschool haar advies op basis van de uitslag van de eindtoets moet heroverwegen, deelt de school de uitkomst hiervan ook met de VO-school. Als de heroverweging leidt tot een hoger schooladvies, dan geeft dit de betrokken leerling alsnog recht op toelating tot de in het bijgestelde advies aangegeven schooltype.

Ja, in formele zin is dit juist. Om te voorkomen dat er matig onderbouwde schooladviezen worden gegeven, moeten scholen op tijd afspraken maken over de wijze waarop de schooladviezen tot stand komen. Bijvoorbeeld over de gegevens die worden gebruikt bij het opstellen van het schooladvies. Het helpt als deze afspraken helder en tijdig aan ouders worden gecommuniceerd en als ouders ruim voor het uitbrengen van het advies de gelegenheid krijgen om met de school hierover in gesprek te gaan. Ook kan in een gemeente of een regio worden afgesproken dat er nog gelegenheid is voor overleg tussen de basisschool en de beoogde VO-school, voordat een advies definitief wordt. Als de VO-school twijfelt over de onderbouwing van het advies, kan dat in dit overleg aan de orde worden gesteld.

Een school mag een leerling weigeren als de school vol is. Een school moet altijd een consequent en transparant toelatingsbeleid voeren. Daarbij hoort dat het beleid ook voor de ouders toegankelijk is. De school kan bijvoorbeeld in de schoolgids en/of op de website van de school een toelichting geven. Wanneer er sprake is van te veel aanmeldingen dient de school op een transparante wijze te handelen. Als de school vol is, moet het voor de ouders duidelijk zijn hoeveel plaatsruimte er is op de school en hoeveel aanmeldingen er zijn. Het moet ten alle tijden transparant zijn voor ouders dat hun kind op gelijke wijze is behandeld als alle andere aanmeldingen. De school kan bijvoorbeeld loting toe te passen of de eerste aanmeldingen plaatsen en daarna werken met een wachtlijst. De school mag ook voorrangsregels toepassen zoals broertjes-zusjes regelingen of voorrang voor bepaalde postcodegebieden. Als een school vol zit, treedt de zorgplicht niet in werking. Echter, het mag nooit zijn dat alle scholen in een samenwerkingsverband vol zitten. Er is dan namelijk geen sprake meer van een dekkend onderwijsaanbod.

Er bestaat in de wet een onderscheid tussen ‘toelaatbaarheid’ en ‘toelating’:

  • Toelaatbaarheid is de mate waarin een leerling in staat is om goed te functioneren binnen een bepaalde schoolsoort. De toelaatbaarheid wordt bepaald op basis van het schooladvies van de leerling.
  • Toelating is de beslissing van de school over de vraag of de leerling past bij de levensbeschouwelijke grondslag van een bijzondere school: onderschrijven of respecteren deze leerlingen/zijn ouders de grondslag van onze school? Deze beslissing blijft altijd bij de VO-school zelf.
    Een VO-school kan een leerling weigeren die wel toelaatbaar is tot een schoolsoort die wordt aangeboden op de school, maar waarbij de leerling of de ouders niet de grondslag van de school onderschrijven of respecteren. Dit moet wel gebeuren op basis van een consistent en transparant toelatingsbeleid van de betreffende school.

Nee. De basisschool bepaalt zelf hoe het schooladvies tot stand komt en welke gegevens daarbij worden betrokken. De basisschool is eigenaar van haar eigen advies. De school bepaalt dus zelf welke toetsen worden afgenomen en hoe de resultaten worden betrokken bij het opstellen van een weloverwogen schooladvies.

Op lokaal en regionaal niveau kunnen basisscholen en vo-scholen hier wel afspraken over maken. Het gaat dan om afspraken die de basisschool en de vo-school allebei onderschrijven, en dus niet om het eenzijdig afdwingen van een toets door het voortgezet onderwijs.

Leerlingen die in aanmerking komen voor LWOO of PrO kunnen nog wel door de VO-school worden getoetst om LWOO of PrO toegewezen te krijgen.

Scholen met een bijzondere inrichting waarvoor bijzondere kennis of vaardigheden van de leerling vereist zijn, kunnen deze kennis of vaardigheden toetsen. Dit gebeurt uitsluitend in aanvulling op het schooladvies en het resultaat van de eindtoets. Een school met tweetalig voortgezet onderwijs kan bijvoorbeeld nagaan of de leerling over voldoende kennis van de betreffende vreemde taal beschikt.

Een ander voorbeeld is een Topsport Talentenschool. Zo’n school moet kunnen vaststellen of de leerling over de noodzakelijke sportieve talenten beschikt om tot de school te worden toegelaten. Bij het aanvullende onderzoek gaat het uitdrukkelijk niet om het nagaan of een leerling geschikt is voor een bepaalde schoolsoort of leerweg (daarvoor is het schooladvies in combinatie met het eindtoetsresultaat leidend!), maar om vast te stellen of een leerling beschikt over de kennis en vaardigheden die nodig zijn voor de betreffende bijzondere inrichting van de school.

VO-scholen baseren zich bij de toelating van leerlingen op het schooladvies dat de basisschool meegeeft. De VO-school mag geen leerlingen weigeren, omdat de leerling naar de mening van deze school te lage toetsscores heeft. Als een leerling bijvoorbeeld een havo-schooladvies meekrijgt, dan moet de school de leerling ten minste op havoniveau plaatsen.

Het is daarna aan de school om te bepalen in welke klas de leerling wordt geplaatst. De school heeft misschien een vmbo-tl/havo-klas, een havo-klas en een havo/vwo-klas. Die bieden in principe allemaal een havo-lespakket aan en de school kan de leerling in elk van die klassen plaatsen. Bij deze afweging kan de school de onderliggende gegevens uit het onderwijskundig rapport van de leerling betrekken. Ook is het raadzaam contact op te nemen met de basisschool.

Er staat in de regelgeving niets over het tijdpad van de plaatsing zelf. Een VO-school zou dus in theorie kunnen wachten met plaatsing tot na het moment dat de heroverwogen adviezen binnen zijn. Echter, dan kan een VO-school de leerlingen pas eind mei/begin juni plaatsen en dat is voor veel VO-scholen en leerlingen erg laat.

Een bijgesteld advies geeft recht op toelating tot de daarbij behorende schoolsoort. De VO-school mag hier niet aan voorbij gaan. Indien de ouders en de leerling géén gebruik wensen te maken van dit recht en kiezen voor plaatsing binnen de oorspronkelijke schoolsoort, dan mag dit uiteraard worden opgevolgd.

  • Als de betrokken schoolsoort niet wordt aangeboden, zal de leerling zich moeten aanmelden bij een andere VO-school waar die schoolsoort wel wordt aangeboden.
  • Als de schoolsoort wel wordt aangeboden, maar er geen plaats meer is, kan de school niet worden gehouden aan het toelaten van de leerling tot die schoolsoort. De ouders en leerling moeten dan zelf uitwijken naar een andere school waar nog wel ruimte is.
  • Als de betrokken leerling een extra ondersteuningsbehoefte heeft, dan geldt de zorgplicht passend onderwijs. De leerling was immers al toegelaten. De VO-school helpt de leerling dan bij het vinden van een passende plek op een andere school (op het juiste niveau).

Ja, scholen voor regulier voortgezet onderwijs baseren zich bij de toelating altijd op het schooladvies.

Nee, voor toelating tot het voortgezet speciaal onderwijs is een toelaatbaarheidsverklaring (TLV) nodig. Het kan voorkomen dat een basisschool een schooladvies voor vso afgeeft en/of dat ouders een leerling op het vso aanmelden, zónder dat een TLV wordt afgegeven voor deze leerling. In dit geval kan de vso-school de leerling niet toelaten. De ouders moeten de leerling aanmelden op een reguliere VO-school die vervolgens de zorgplicht heeft.

Een toelaatbaarheidsverklaring (TLV) is nodig bij verwijzing naar het (voortgezet) speciaal onderwijs. Bij de overgang van het primair naar het voortgezet onderwijs moet een nieuwe TLV worden aangevraagd. Dit is dus ook zo bij de overgang van het speciaal onderwijs naar het voortgezet speciaal onderwijs.

Bij de overgang van PO naar VO heeft de school voor voortgezet onderwijs waar de leerling wordt aangemeld de zorgplicht voor de leerling. Deze school vraagt de (nieuwe) TLV aan. De VO-school vraagt de TLV aan bij het samenwerkingsverband van de woonplaats van de leerling. De TLV blijft geldig voor de duur van de TLV, ook wanneer een leerling verhuist. Als de TLV moet worden verlengd, dan gebeurt dit bij het samenwerkingsverband dat de oorspronkelijke TLV heeft afgegeven.

Voor leerlingen die met een Cvl-indicatie (Commissie voor de Indicatiestelling) op het (v)so zitten, geldt een overgangsregeling. Leerlingen die op 1 augustus 2014 waren ingeschreven op een (v)so-school, kunnen tot uiterlijk 1 augustus 2016 ingeschreven blijven zónder dat zij een TLV nodig hebben. Dit geldt alleen voor deze school. Het samenwerkingsverband kan de toelaatbaarheid wel eerder aanpassen. Dit kan alleen wanneer de ouders hiermee akkoord gaan. Als de leerling verhuist of naar een andere school gaat, moet een nieuwe TLV worden aangevraagd bij het samenwerkingsverband waar de leerling op 1 augustus 2014 woonde.

Een school moet altijd eerst onderzoeken of zij zelf passende ondersteuning kan bieden. Indien dat niet het geval is, heeft de school de zorgplicht om te zorgen voor een passend aanbod elders. Puur een maximum stellen kan en mag niet ingevolge de Wet gelijke behandeling en kan ook zeker rekenen op een negatief oordeel bij de geschillencommissie passend onderwijs.

Hier gelden de regels van passend onderwijs. De VO-school heeft een zorgplicht voor leerlingen met extra ondersteuningsbehoeften. Als de VO-school niet de juiste ondersteuning kan bieden, zoals blijkt uit het ondersteuningsprofiel van de school, dan kijkt de school in het kader van de zorgplicht op welke school de leerling terecht zou kunnen. De leerling komt in ieder geval terecht op een schoolsoort die past bij het schooladvies. Als de leerling bijvoorbeeld een havo-schooladvies heeft, krijgt hij/zij ergens een plek op de havo.

Daar waar een leerling extra ondersteuning nodig heeft, bevat het onderwijskundig rapport van de leerling al veel informatie die een VO-school kan gebruiken om de extra ondersteuningsbehoefte te bepalen. Daarnaast kan de VO-school in een gesprek met de basisschool veel te weten komen over de ondersteuningsbehoefte van een leerling. In veel gevallen is extra onderzoek in de vorm van toetsen dan ook niet nodig. Daar waar dit wel nodig is, blijft dit toegestaan. Het onderzoek gaat hier immers niet om de toelating van de leerling tot een bepaalde schoolsoort (bijvoorbeeld vmbo-tl of havo). Daarin is het schooladvies leidend. Het eventuele extra onderzoek heeft alleen betrekking op de ondersteuning die de leerling nodig heeft om de schoolsoort met succes te kunnen doorlopen.

Als een leerling een vmbo-advies én een indicatie voor praktijkonderwijs heeft, dan kan de leerling door de ouders op het vmbo worden aangemeld. In dat geval is het schooladvies leidend en laat de vmbo-school de leerling toe. De ouders kunnen er ook voor kiezen om de leerling op het praktijkonderwijs aan te melden waar de leerling ook toelaatbaar is.

Het schooladvies is leidend voor toelating tot vmbo, havo en vwo. De indicatiestelling voor leerwegondersteunend onderwijs (lwoo) staat hier los van. Sommige basisscholen geven het schooladvies ’vmbo met lwoo’. Het tweede gedeelte van dit advies – ‘met lwoo’ – is geen onderdeel van het schooladvies. Het is een constatering over de ondersteuning die deze leerling naar verwachting nodig heeft na plaatsing op de betreffende schoolsoort. Het is dus niet zo dat het basisonderwijs bepaalt of een leerling in aanmerking komt voor lwoo. Het uiteindelijke besluit over toewijzing van lwoo-bekostiging ligt vanaf 1 januari 2016 bij het samenwerkingsverband VO. Voorheen waren de Regionale VerwijzingsCommissies (RVC) verantwoordelijk voor de toewijzing van Lwoo.

De lwoo-indicatie gaat nog op dezelfde manier als voorheen[1]. De leerling wordt aangemeld bij een school en de school laat de leerling toe op basis van het schooladvies. Vervolgens vraagt de VO-school extra ondersteuning aan in de vorm van lwoo. Alleen scholen met een lwoo-licentie kunnen deze extra ondersteuning ontvangen. Een school die deze licentie niet heeft, verwijst een lwoo-leerling door naar een VO-school met een licentie of vangt deze leerling zelf op zonder lwoo-middelen. In principe is lwoo extra ondersteuning en daarvoor geldt de zorgplicht. In veel gevallen is rond de tijd van de aanmelding al bekend welke leerlingen waarschijnlijk de lwoo-indicatie nodig hebben. Ouders kunnen hun kind dan al direct aanmelden bij een school met een lwoo-licentie.

Sommige leerlingen voor wie een lwoo-indicatie is aangevraagd, zullen niet voldoen aan de landelijke criteria en daarom geen indicatie ontvangen. In veel gevallen zal de leerling wel een ondersteuningsbehoefte hebben. De school kijkt dan eerst of ze zelf de juiste ondersteuning kan bieden, al dan niet met extra ondersteuning vanuit het samenwerkingsverband. Zo niet, dan zorgt de school er in het kader van de zorgplicht voor dat de leerling op een andere passende plek binnen het samenwerkingsverband terechtkan.

[1] Een samenwerkingsverband VO kan kiezen voor ‘opting out’ in het kader van lwoo. Dat betekent dat zij kunnen afwijken van de landelijke criteria of eigen afspraken kunnen maken over licenties.

Om toegelaten te worden tot het praktijkonderwijs (pro) als schoolsoort, is een indicatiestelling nodig. Het praktijkonderwijs is in de nieuwe wetgeving daarom uitgezonderd van het leidende karakter van het schooladvies. Het is dus niet zo dat het basisonderwijs via het schooladvies bepaalt of een leerling in aanmerking komt voor praktijkonderwijs. Voor de toelating tot het praktijkonderwijs geldt dezelfde werkwijze als voor lwoo. Het uiteindelijke besluit voor de toelating tot praktijkonderwijs ligt vanaf 1 januari 2016 bij het samenwerkingsverband VO. Voorheen waren de Regionale VerwijzingsCommissies (RVC) hiervoor verantwoordelijk.

Nee dit mag niet. Als een leerling een vmbo-advies heeft gekregen van de basisschool, maar van het samenwerkingsverband VO een pro-indicatie krijgt, dan kan de leerling door de ouders op het vmbo worden aangemeld. In dat geval is het schooladvies leidend en laat de vmbo-school de leerling toe. De ouders kunnen er wel voor kiezen om de leerling op het pro aan te melden waar de leerling ook toelaatbaar is.

Indien een leerling een pro-indicatie heeft, heeft de leerling een ondersteuningsbehoefte. Wanneer de leerling wordt aangemeld bij een vmbo-school, heeft de school zorgplicht en kijkt of ze zelf de juiste ondersteuning kan bieden, al dan niet met lwoo of een andere vorm van ondersteuning vanuit het samenwerkingsverband. Indien de leerling lwoo wordt aangeboden, kan de school de leerling met een pro-indicatie inschrijven als lwoo-leerling. Daar hoeft geen aparte lwoo-indicatie voor te worden aangevraagd.

Kan de school de leerling niet de juiste ondersteuning bieden (bijvoorbeeld omdat de school geen lwoo-licentie heeft, of de ondersteuningsbehoefte groter is dan de school kan bieden), dan zorgt de school er in het kader van de zorgplicht voor dat de leerling op een andere passende plek binnen het samenwerkingsverband kan worden toegelaten.

De toetsing voor de indicatie voor lwoo of pro is niet hetzelfde als aanvullende toetsing voor toelating tot een VO-school. VO-scholen kunnen de toetsen die nodig zijn voor een lwoo- of pro-indicatiestelling blijven gebruiken voor het aanvragen van een indicatie. De toetsresultaten mogen echter niet door de VO-school worden gebruikt als reden om een leerling wel of niet toe te laten tot een bepaalde schoolsoort op de school.

In principe is de VO-school verantwoordelijk voor deze toetsing. Niet in alle gevallen zal het daadwerkelijk nodig zijn om als VO-school extra toetsen af te nemen. Sommige leerlingen hebben op de basisschool al toetsen gemaakt die kunnen worden gebruikt voor de indicatiestelling lwoo en pro. Denk hierbij aan de toetsen van het leerlingvolgsysteem of een intelligentietest. Vaak staan deze gegevens ook in het onderwijskundig rapport van de leerling. Indien gewenst kan de VO-school deze gegevens gebruiken in plaats van extra toetsen af te nemen.

Scholen die meer aanmeldingen hebben dan plaatsingsruimte, werken vaak met een systeem van loten om te bepalen welke leerlingen worden toegelaten tot een schoolsoort binnen de school. Dit blijft mogelijk. Ook kunnen hierover lokale of regionale afspraken worden gemaakt.

De school moet de procedure vooraf communiceren en consistent en tijdig uitvoeren. Zo hebben de ouders voldoende tijd om hun kind op een andere school aan te melden.

Scholen die meer aanmeldingen hebben dan plaatsingsruimte, zullen vaak al loten voordat de resultaten op de eindtoets bekend zijn en voordat zij weten welke leerlingen na een heroverweging een bijgesteld advies krijgen. Scholen kunnen hier op verschillende manieren mee omgaan. Zij kunnen bij de loting alvast een deel van de plaatsingsruimte reserveren voor leerlingen die daarna een bijgesteld advies krijgen, of zij kunnen alle plaatsingsruimte vullen. Leerlingen met een bijgesteld advies moeten in dat geval uitwijken naar een andere school.

De school moet de procedure vooraf communiceren en consistent en tijdig uitvoeren. Zo hebben de ouders voldoende tijd om hun kind op een andere school aan te melden.

Scholen mogen met een lotingsprocedure werken. Die loting vindt plaats voordat de zorgplicht ingaat. Pas na de loting wordt gekeken of er leerlingen zijn ingeloot die extra ondersteuning nodig hebben. Voor deze leerlingen geldt de zorgplicht. Als een leerling wordt uitgeloot, geldt de zorgplicht niet. Net als voor andere leerlingen die worden uitgeloot, hoeft de school geen andere plek voor deze leerlingen te vinden.

De school moet de procedure vooraf communiceren en consistent en tijdig uitvoeren. Zo hebben de ouders voldoende tijd om hun kind op een andere school aan te melden.

Het onderbouwrendement wordt berekend op basis van het oorspronkelijke advies van de basisschool. De Inspectie van het Onderwijs heeft onlangs vastgesteld dat basisscholen over het algemeen zorgvuldig adviseren. De meeste leerlingen komen in het derde jaar van het voortgezet onderwijs terecht op de plek die het advies aangeeft (klik hier voor meer informatie over dit rapport). Het is dus niet zo dat basisscholen structureel te hoog adviseren. Het is daarom niet waarschijnlijk dat er straks veel meer leerlingen dan voorheen gaan afstromen en dat dit een negatief effect heeft op het onderbouwrendement van een VO-school. Om de kans hierop te verkleinen kunnen basisscholen en VO-scholen op lokaal en regionaal niveau afspraken maken over de wijze waarop de schooladviezen tot stand komen. Ze kunnen bijvoorbeeld afspraken maken over de gegevens die worden gebruikt bij het opstellen van het schooladvies.

De komende jaren zal de doorstroom van leerling in de onderbouw nauwlettend worden gevolgd om te kijken of er veranderingen optreden in de op- en afstroom.

Nee, het onderbouwrendement wordt berekend op basis van het oorspronkelijke advies van deze leerling. Als de leerling na heroverweging door de basisschool een naar boven bijgesteld advies krijgt, en in een hogere schoolsoort aan het voortgezet onderwijs begint, dan is dit voordelig voor het onderbouwrendement van de VO-school wanneer een leerling dit niveau weet vast te houden. Als de leerling dit niveau tegen verwachting in toch niet weet waar te maken en afstroomt naar het niveau van het oorspronkelijke schooladvies, dan heeft dit geen nadelig effect op het onderbouwrendement. Klik hier voor meer informatie over het onderwijsresultatenmodel voortgezet onderwijs.

De VO-school krijgt via het onderwijskundig rapport gedetailleerd inzicht in de kennis en vaardigheden en de ondersteuningsbehoeften van een potentiële leerling. Hierin staan o.a. ook de toetsresultaten die een leerling in het verleden heeft behaald. Een VO-school krijgt deze gegevens dus altijd te zien, mede omdat dit de VO-school kan helpen om een doorlopende leerlijn te realiseren. Het is voor de VO-school ook belangrijk voor het vaststellen van de ondersteuningsbehoefte van de leerling. De VO-school mag deze gegevens echter niet gebruiken als enig of doorslaggevend criterium in de beslissing of de leerling wel of niet toelaatbaar is tot een bepaalde schoolsoort. Dit wordt beslist aan de hand van het schooladvies.

De wet schrijft niet voor wanneer basisscholen het onderwijskundig rapport (OKR) bij het voortgezet onderwijs moeten aanleveren. Daarover kunnen in de regio afspraken worden gemaakt.

OKR tegelijk met het schooladvies verstrekken
Basisscholen/regio’s kunnen het OKR tegelijk met het schooladvies aan de VO-school verstrekken, dus rond 1 maart.

Voordeel hiervan is dat de VO-school tijdig haar zorgplicht in kan vullen, omdat zij beschikt over de informatie die nodig is om vast te stellen of en welke ondersteuning een leerling nodig heeft. Ouders van leerlingen met een extra ondersteuningsbehoefte hebben bovendien de plicht om deze informatie aan te leveren bij de VO-school voordat de school over de toelating beslist. Als de basisschool deze informatie via het OKR overdraagt aan de VO-school, bespaart dit de ouders extra lasten. De ouders ontvangen wel altijd een afschrift van het OKR.

Een nadeel is dat de score op de eindtoets dan nog niet bekend is en dat het schooladvies op basis daarvan later nog naar boven kan worden bijgesteld. Het resultaat van de eindtoets is een wettelijk verplicht onderdeel van het OKR. Scholen leveren daarom na de eindtoets een aangevuld OKR aan de VO-school.

OKR verstrekken na de eindtoets
Scholen/regio’s kunnen ervoor kiezen om het OKR aan het voortgezet onderwijs te verstrekken als de score op de eindtoets bekend is. Het schooladvies wordt dan dus al eerder, apart van het OKR, verstrekt.

Voordeel van het later verstrekken van het OKR is dat het voortgezet onderwijs beschikt over een compleet OKR (inclusief onafhankelijk tweede gegeven en eventueel bijgesteld schooladvies).

Nadeel is dat de VO-school dan pas laat beschikt over de belangrijke informatie uit het OKR. Op basis van deze informatie kan de school immers vaststellen of ze kan voldoen aan de ondersteuningsbehoeften van de leerling en, zo niet, of er een andere school moet worden gezocht die dat wel kan. Ouders van leerlingen met extra ondersteuningsbehoeften moeten daarom al wel extra informatie aanleveren bij de VO-school voordat over de toelating wordt besloten.

De VO-school krijgt via het onderwijskundig rapport gedetailleerd inzicht in de kennis, vaardigheden en ondersteuningsbehoeften van een potentiële leerling. Hierin staan onder meer de toetsresultaten die een leerling in het verleden heeft behaald. Een VO-school krijgt deze gegevens dus altijd te zien, mede omdat dit de VO-school kan helpen om een doorlopende leerlijn te realiseren. Ook zijn deze gegevens voor de VO-school belangrijk om de ondersteuningsbehoeften van de leerling te kunnen vaststellen. De VO-school mag deze gegevens echter niet gebruiken als enig of doorslaggevend criterium bij de beslissing of de leerling wel of niet toelaatbaar is tot een bepaalde schoolsoort. Dit wordt beslist aan de hand van het schooladvies.

Als een basisschool in het schooljaar 2014-2015 geen eindtoets heeft afgenomen, is er inderdaad geen tweede onafhankelijk gegeven beschikbaar op basis waarvan het advies kan worden heroverwogen. Heroverweging is dan dus niet mogelijk. Dit was eenmalig, omdat het schooljaar 2014/2015 een overgangsjaar was voor de eindtoets. Vanaf 2015-2016 nemen alle basisscholen een eindtoets af, die aanleiding kan geven voor een heroverweging van het schooladvies.

Scholen konden dit schooljaar uit de volgende drie eindtoetsen kiezen:

  • Centrale eindtoets: Het College voor Toetsen en Examens (CvTE) brengt de centrale eindtoets uit in opdracht van het ministerie van OCW. Kijk voor meer informatie op de website: www.centraleeindtoetspo.nl
  • ROUTE 8: van A-VISION B.V. Meer informatie: www.route8.nl
  • IEP Eindtoets: van bureau ICE. Meer informatie: www.toets.nl/iepeindtoets

2014-2015 gold als een overgangsjaar. Scholen die niet wilden kiezen voor een van de drie genoemde eindtoetsen, konden alleen dit schooljaar nog gebruikmaken van enkele bestaande toetsen die zijn opgenomen in de Regeling Leerresultaten PO en niet zijn toegelaten als eindtoets:

  • Drempelonderzoek 678 van 678 Onderwijs Advisering
  • Onderstaande landelijk genormeerde methodeonafhankelijke toetsen voor groep 8:
    • de toetsen Rekenen-Wiskunde en Begrijpend lezen van het Cito Volgsysteem primair onderwijs;
    • de toets Begrijpend lezen van 678 Onderwijs Advisering.

Wel gold de voorwaarde dat alle leerlingen uit groep 8 van de school meedoen aan dezelfde toets.

Scholen konden zich in overgangsjaar 2014-2015 verantwoorden met een van de volgende eindtoetsen:

  • Centrale eindtoets: Het College voor Toetsen en Examens (CvTE) brengt de centrale eindtoets uit in opdracht van het ministerie van OCW. Kijk voor meer informatie op de website: www.centraleeindtoetspo.nl
  • ROUTE 8: van A-VISION B.V. Meer informatie: www.route8.nl
  • ICE Eindevaluatie Primair onderwijs: van bureau ICE. Meer informatie: www.toets.nl/iepeindtoets

En toetsen uit de Regeling Leerresultaten PO, die in het overgangsjaar nog waren toegestaan, te weten:

  • Drempelonderzoek 678 van 678 Onderwijs Advisering
  • Onderstaande landelijk genormeerde methodeonafhankelijke toetsen voor groep 8:
    • de toetsen Rekenen-Wiskunde en Begrijpend lezen van het Cito Volgsysteem primair onderwijs;
    • de toets Begrijpend lezen van 678 Onderwijs Advisering.

De M8 toets sloot voor sommige leerlingen niet aan bij hun functioneringsniveau. Deze leerlingen konden gewoon de toets maken die het beste paste bij hun functioneringsniveau (bijvoorbeeld een E6-, M7- of E7-toets). De scores op alle Cito-leerlingvolgsysteemtoetsen – ook de toetsen voor speciale leerlingen – werden namelijk uitgedrukt op dezelfde vaardigheidsschaal. Met de gemiddelde vaardigheidsscores konden scholen zich richting de inspectie verantwoorden over hun leerresultaten.

Ja, dit kon in het overgangsjaar 2014-2015. De school besliste in schooljaar 2014-2015 zelf welke toets zij gebruikte om zich te verantwoorden over de leerresultaten. De toets waarmee de school zich verantwoordde, moest wel bij alle leerlingen in groep 8 zijn afgenomen.